Treinrit

Al meer dan een jaar neem ik elke dag dezelfde trein van en naar het Franse Rijsel. Een doodnormaal ritje van om en bij de 40 minuten. Al meer dan een jaar kijk ik uit de ramen naar de voorbijvliegende velden en gevels. Naar de koetjes in de wei, of naar de fabrieken aan de horizon. Al meer dan een jaar kijk ik naar hetzelfde uitzicht. Tot nu.

Het was een grijze dinsdagavond, begin januari. Ik zat in gedachten verzonken op mijn favoriete plek. Een melodramatisch nummer speelde in mijn oren, maar de muziek was vervaagd tot het ritme van mijn overpeinzingen. In mijn rugzak zat een studieboek waar ik eigenlijk aan had moeten beginnen. Het bestaan ervan was me echter ontgaan.

Dit alles was helaas de normale gang van zaken, tot een dame van middelbare leeftijd schuin tegenover me plaatsnam. Ze was gehuld in een witte jas, beige broek en bruine schoenen. Onopvallend in een menigte, maar niettemin stijlvol. Met frêle ogen keek ze me achterdochtig aan, maar besloot dat ik geen dreiging vormde voor haar gewenste rust. Ze kwam bedrogen uit, want samen hadden we een openbarende rit.

Zo zaten we daar, afgezonderd in onze eigen gedachten. Details in elkaars bestaan. We zagen hetzelfde, doch gunden we elkaar geen blik. Samen keken we naar wat voorbijgleed, denkend aan wat net geweest was, verrast door wat komen zou. We keken naar de wereld waarin we vertoefden, naar de rode bakstenen die de noord-Franse grens kleur willen geven, maar nooit in die opzet geslaagd zijn.

We denken aan de verhalen van de streek, aan wat ooit geweest was. We rijden langs grasvelden waar ooit de mastodonten van de industrie stonden. Nu ligt er een plas, een bouwvallig speelpleintje en een inderhaast aangelegd pad. We beseffen dat de spoorweg waar onze trein nu over raast het enigste reliek is uit die tijd. We voelen de heimwee van de mensen die stilstaan en ons bespieden.

We keken naar verlaten complexen, naar Franse schroothopen, naar Waalse pogingen tot tuinbouw. We zagen luxueuze flatgebouwen, maar enkele momenten later ook erbarmelijke zigeunerkampen. We keken naar de gevels waar we altijd naar kijken, maar merkten dat we al die tijd oogkleppen op hadden gehad.

Onze trein ademt toekomst, vernieuwing, innovatie. Maar buiten de dubbele ruiten heeft de tijd stilgestaan. Terwijl het vuilnis zijn plek in het straatbeeld opeist, schuifelen grijze figuren naar hun bestemming. We denken aan hen, de vrouw en ik, en proberen ons hun leefwereld voor te stellen. We denken aan de kinderen zonder winterjas op het pleintje, aan het dametje met de winkelkar maar zonder winkel. Aan allen die het minder hebben.

We zagen een gauwe wereld. Een wereld waar naastenliefde steeds minder vanzelfsprekend is. In de straten hangt een doffe sfeer, neergeslagen, gehard door het leven. Op de daken staan antennes als lansen opgesteld richting een god die hen in de steek heeft gelaten.

De vrouw en ik hebben een avontuur beleefd. We hebben een wereld ontdekt die ik nooit wou zien, maar waar ik nu met mijn neus op werd gedrukt. Ik besefte hoe goed ik het had, desondanks mijn dagelijkse moeilijkheden. Durf uw oogkleppen af te zetten, en te kijken naar de onvolmaaktheden van uw omgeving. De mysterieuze vrouw kan dat beamen, denk ik.

Charles Gadeyne

Gepubliceerd door Charles Gadeyne

Journalist aan de Hogeschool West-Vlaanderen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: